Het geestelijk klimaat in het Koninkrijk

Het geestelijk klimaat in het Koninkrijk der Nederlanden 1815- 1848

“Wij leven vrij, wij leven blij,

Wij dienen eenen God.

Wat ooit ’t verschil in dienen zij,

De wet laat ied’ren godsdienst vrij,

Vereend als broeders juichen wij:

Gezegend is ons lot”.

Aldus een andere ingezonden versie (Wij leven vrij, wij leven blij van advocaat J. Brand) voor het nieuwe volkslied. Uiteindelijk werd het “Wien Neerlands bloed” van Hendrik Tollens.

Het tekent de sfeer.

Het geloof was niet verdwenen, maar het was het aanvaarden van bepaalde christelijke overtuigingen. De formuleringen in diverse geschriften leunen dicht tegen het orthodoxe geloof aan. Toch formuleert De Rek als algemene grondtoon:

“Men voelde zich bevrijd van de oude kerkelijke censuur en vatte de leer der kerk op als het aanwijzen van de weg der deugd, die zichzelf beloont.” De Rek, Koningen, kabinetten en klompenvolk: 351

Verdraagzaamheid sierde de christen. Waarbij bedacht moet worden dat in het nieuwe koninkrijk, door de samenvoeging met België, de protestanten in feite in de minderheid waren. De protestanten, zo gevoelde men het, konden zich geen onderlinge geschillen veroorloven tegenover de krachtig georganiseerde Rooms-katholieke kerk, en de actieve geloofsijver daarbij.

Koning Willem I heeft, als een “verlicht” en enigszins despotisch vorst, zich op vele terreinen ingezet om Nederland weer te laten herrijzen uit de desolate situatie van en door de Franse tijd. Ook op het terrein van de Kerk.

Voor de Hervormde kerk was het wegvallen van de staatssteun door de scheiding tussen kerk en staat van 1796 een gevoelige slag geweest. Temeer doordat het calvinisme, ondermijnd door de Aufklärung, niet de kracht had de winst van de scheiding in een onafhankelijke organisatie vast te leggen”. De Rek, 349

Aan de Koning werd verzocht, de deplorabele toestand van de kerk te doorbreken. Men vond dit geen oneigenlijke zaak: ook in de tijd van de Republiek was de Overheid veelal de beslisser in diverse kerkelijke aangelegenheden. Formeel bestond er sinds de Dordtse Kerkenorde van 1618/1619 een democratisch bestuur van de kerk, waarbij de plaatselijke kerk centraal stond. In de praktijk verbood de overheid regelmatig discussie over de leer, kon er alleen een synode gehouden worden met overheidsgoedkeuring, enz. (Zo is er na 1618/1619 geen landelijke synode meer geweest.) Dit gezag van de overheid in kerkelijke zaken werd vrij algemeen erkend.

Op het departement van Eredienst werd een commissie ingesteld, waarbij de figuur van de ambtenaar J.D. Janssen (1775-1848) een hoofdrol speelde.

In feite werd de structuur van de kerk omgekeerd. Voortaan was de synode het hoofdbestuur. Aan de leer der kerk werd officieel niet getornd. Schriftgezag, de Drie-eenheid, de godheid van Christus, het bleef gewoon erkend. In de prediking echter werd door vele predikanten niet meer gesproken van het verzoenend lijden en sterven van Christus, maar over het lichtend voorbeeld van Jezus in deugdzaamheid, om na te volgen. Er waren predikanten die al hardop het oude geloof voor onmogelijk hielden.

Er kwamen wel protesten tegen de nieuwe structuur, maar een ieder schikte zich.

In het Algemeen Reglement stond dat men zich moest houden “aan de leer welke overeenkomstig Gods Heilig Woord in de aangenomen drie formulieren van eenigheid is vervat”. Het is een dubbelzinnige formulering: overeenkomstig kan zijn : omdat of: voorzover.

De kerk stond hiermee open voor allerlei wind van leer.

Supranaturalisme

Supranaturalisme is de term die gehanteerd wordt om het verweer tegen het Rationalisme weer te geven. Het is geen nieuw geloofselan, maar een zich wat halfslachtig teweerstellen tegen invloeden die men te ver vindt gaan. Men wil de zaak van het geloof overeind houden door scherpe en voor het verstand moeilijk te accepteren dogma’s bij te slijpen. Vooral in Duitsland en ook in ons land maakte deze “vorm” opgeld.

Veldman doet het volgende voorstel ter definiëring van het Supranaturalisme:

“Veel aanhangers van het supranaturalisme denken vanuit het (oude) onderscheid tussen “natuurlijke” en “bovennatuurlijke religie (uit m.n. het Deïsme) en menen veel (of toenemende) ruimte te mogen bieden aan die religieuze thema’s die tot de “common sense” behoren (die algemeen aanvaardbaar worden geacht). De overblijvende “bovennatuurlijke “ thema’s uit de christelijke geloofsleer worden aan het “praktische kritisch” oordeel van de rede onderworpen en in veel gevallen gereconstrueerd”. Hendrik de Cock, 95 e.v.

De geloofsthema’s die gereconstrueerd (moeten) worden zijn: de inspiratie van de Schrift; de Drie-eenheid; de twee naturen van Christus; de leer van genade door voldoening; de leer van zonde en erfzonde; de leer van de uitverkiezing.

Groen van Prinsterer vat het samen, in zijn geschrift (1837) De Maatregelen tegen de Afgescheidenen:

“Aan elk die de leer kent van de Hervormde, de Protestantse, de Christelijke kerk, mag het worden gezegd.( ) Christus, God geopenbaard in het vleesch wordt een Goddelijk, een hooger dan de overige geschapen wezend genoemd; de Heilige Geest dien de Christenheid naast de Vader en den Zoon, op grond van den Bijbel, aanbidt, is slechts eene Goddelijke kracht; de erfzonde is zedelijke verdorvenheid, zwakheid, onvolkomenheid geworden; in het lijden en sterven van den Middelaar wordt geene verzoening, geene voldoening, geen lijden in onze plaats, geen dragen van de straf onzer ongerechtigheden, niets dan een blijk van Gods algemeene menschenliefde erkend; van wedergeboorte, bekeering, en heiligmaking heeft men zedelijke verbetering, begin en voortgang der deugdbetrachting gemaakt, en de hemel is voor elk die geene grove uiterlijke zonden begaat, met eene onbekrompenheid die gedurig ruimer wordt, opengesteld”.

De door van der Palm aangestelde schoolopzieners (meest predikanten) waren voor het merendeel supranaturalisten. Zij zagen er op toe dat op de scholen aan kinderen een “eenvoudig samenstel van den natuurlijke godsdienst” gegeven werd, dat niet vermengd mocht worden met “een dogmatisch leerstelsel”.

(In de door Van der Palm geschreven jeugdbijbel komt een welgemeende vroomheid tot uiting, en de formuleringen zijn niet of nauwelijks van de oude orthodoxie te onderscheiden: “En werd dus de eerste Adam het slagtoffer der verleiding van dien geest der boosheid; verheugen we ons, dat de tweede Adam gekomen is, om zijne helsche magt te vernietigen, en de oude slang den kop te vermorselen”. Bijbel voor de Jeugd,1835, blz. 47. Overigens zegt van der Palm tegen zijn jonge lezers dat, als je niet alles begrijpt, je het recht niet hebt om het hele verhaal te verwerpen: let liever op wat klaar en duidelijk is, en laat het duistere liggen. Dit in verband met de verklaring van de slang uit Genesis. (29)

Veldman vat de geest der eeuw als volgt samen:

“Daarmee is een officieus verbond tussen universiteit, kerk en school gerealiseerd dat tot ver in de 19e eeuw ertoe leidde dat de supranaturalistische denkwijze in de levensvisie van bijna alle bevolkingsgroepen doordringt. Omstreeks 1840 neem de Groninger Richting deze “taak” over. ( ) Het geheel maakt deel uit van de nieuwe nationale eenheidsbeleving in het jonge koninkrijk der Nederlanden dat mede door deze consensus in 1815 zijn identiteit had bepaald”. 97